Skip to content

Aanbidden: Dutch verb conjugation

aanbidden aanbad aanbeden

to worship

/aːmˈbɪdə(n)/

Conjugation of aanbidden

PersonPresentPastPerfect
ikaanbidaanbadheb aanbeden
jij, uaanbidtaanbadhebt aanbeden
hij, zij, hetaanbidtaanbadheeft aanbeden
wij, jullie, zijaanbiddenaanbadenhebben aanbeden
  • Past participle: aanbeden, with hebben.

Meaning in English

  1. to worship
  2. to adore

Remember aanbidden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)