De or het? Look up a Dutch word
The article, plural and diminutive of everyday Dutch nouns, and the past tense of common verbs, with a recording and the meaning in English.
Jump to topic
Travel & getting around
44 words- de trein
- de bus
- de tram
- de metro
- het station
- de halte
- de kaart
- het kaartje
- de fiets
- de auto
- de taxi
- het vliegtuig
- de boot
- het schip
- de veerboot
- de koffer
- de pas
- de bagage
- de reiziger
- de reis
- de route
- het verkeer
- de luchthaven
- de vakantie
- het hotel
- het vertrek
- de aankomst
- de straat
- de richting
- de brug
- de tunnel
- het centrum
- de automaat
- het perron
- het kruispunt
- het verkeerslicht
- de rotonde
- de stoep
- het fietspad
- parkeren
- de benzine
- het tankstation
- de omleiding
- de vertraging
Food & shopping
48 words- het brood
- de melk
- de kaas
- de boter
- het ei
- het vlees
- de vis
- de groente
- het fruit
- de rijst
- de pasta
- het water
- de smaak
- het zout
- de suiker
- de bloem
- de olie
- de saus
- de komkommer
- de tomaat
- het eten
- het drinken
- de winkel
- de markt
- de koffie
- de thee
- de supermarkt
- de prijs
- de korting
- de aanbieding
- het geld
- de tas
- de bon
- de aardappel
- de soep
- de fles
- de bakker
- de slager
- de winkelwagen
- het bedrag
- het wisselgeld
- wegen
- kiezen
- de kassa
- de verpakking
- het recept
- de maaltijd
- het restaurant
Home & housing
48 words- het huis
- de kamer
- de keuken
- de badkamer
- de slaapkamer
- de woonkamer
- de deur
- de sleutel
- de tafel
- de stoel
- het bed
- de muur
- het plafond
- de trap
- de bank
- de lamp
- het bord
- de kop
- het kussen
- de woning
- de huur
- de verhuizing
- de tuin
- het balkon
- de kast
- het licht
- het dak
- de verwarming
- de vloer
- de eigenaar
- de buurt
- het adres
- de verdieping
- het meubel
- de elektriciteit
- de lekkage
- de garage
- de kelder
- de lift
- de sleutelbos
- de verhuisdoos
- de slaapbank
- schoonmaken
- de reparatie
- de huurder
- de hypotheek
- het appartement
- het onderhoud
Health & care
46 words- de huisarts
- de dokter
- de patiënt
- de afspraak
- de klacht
- de pijn
- de koorts
- de hoest
- de verkoudheid
- het medicijn
- de apotheek
- de gezondheid
- het oor
- de neus
- de huid
- de/het hart
- de adem
- de zorg
- de arts
- het ziekenhuis
- de verzekering
- de behandeling
- het onderzoek
- het bloed
- de verpleegkundige
- het lichaam
- het hoofd
- de buik
- de rug
- de arm
- het been
- de wond
- de tandarts
- de tand
- de ziekte
- de pols
- de vinger
- de knie
- de voet
- de nek
- de schouder
- het herstel
- de preventie
- de controle
- de therapie
- de diagnose
Work & study
49 words- de baan
- het beroep
- het kantoor
- de collega
- de baas
- de werkgever
- de school
- de student
- de docent
- de les
- het boek
- de computer
- het bedrijf
- de werknemer
- de klant
- het team
- de taak
- de werkplek
- de pen
- het salaris
- het contract
- de vergadering
- het project
- de opleiding
- de pauze
- de studie
- het uur
- de dag
- de week
- leren
- werken
- de stage
- het examen
- de cursus
- het lokaal
- het huiswerk
- de maand
- de maandag
- de vrijdag
- het diploma
- de/het rooster
- de vraag
- het antwoord
- de oefening
- de vaardigheid
- de sollicitatie
- de carrière
- de leidinggevende
- het inkomen
Money, banking & payments
29 words- de betaling
- de euro
- de cent
- kosten
- het biljet
- de portemonnee
- de rente
- de lening
- het krediet
- kopen
- verkopen
- sparen
- de schuld
- de belasting
- de aangifte
- de overschrijving
- de fraude
- het rekeningnummer
- de valuta
- de wisselkoers
- de investering
- het rendement
- het saldo
- storten
- opnemen
- de pincode
- de factuur
- het internetbankieren
- de creditcard
Government & paperwork
34 words- de gemeente
- de overheid
- het formulier
- de brief
- de naam
- het document
- de postcode
- de aanvraag
- de nationaliteit
- de identiteitskaart
- de handtekening
- de dienst
- het loket
- de geboortedatum
- de ambtenaar
- de woonplaats
- de registratie
- het bezwaar
- de/het stempel
- de identiteit
- de uitkering
- de verblijfsvergunning
- de verkiezing
- het recht
- het nummer
- inloggen
- de regel
- het wachtwoord
- de envelop
- de kopie
- de balie
- de bankrekening
- de gebruikersnaam
- de post
Digital life & communication
38 words- de telefoon
- het internet
- het bericht
- de laptop
- het scherm
- het toetsenbord
- de muis
- de foto
- de website
- de app
- de/het account
- mailen
- het netwerk
- de video
- het contact
- het profiel
- de melding
- het platform
- uitloggen
- de beveiliging
- de browser
- de printer
- de download
- de wifi
- de upload
- het bestand
- de map
- de camera
- de oplader
- de link
- de knop
- de instelling
- de taal
- het nieuws
- de gebruiker
- downloaden
- opslaan
- verwijderen
Problems & emergencies
33 words- de hulp
- het probleem
- het gevaar
- de politie
- de brandweer
- de ambulance
- het ongeluk
- de brand
- de nood
- het alarm
- de evacuatie
- de opvang
- de verwonding
- de schade
- de diefstal
- het verlies
- de sirene
- de storm
- de overstroming
- de breuk
- het slachtoffer
- de redding
- de crisis
- de storing
- het slot
- de stroom
- de rook
- de vluchtweg
- het mes
- de rookmelder
- de brandblusser
- de uitgang
- de batterij
Friends, family & social life
47 words- de vriend
- de vriendin
- de familie
- de ouder
- de moeder
- de vader
- het kind
- de broer
- de zus
- de partner
- de buur
- de verjaardag
- het gezin
- de oma
- de opa
- de neef
- de nicht
- uitnodigen
- de relatie
- het feest
- het bezoek
- het gesprek
- de uitnodiging
- het cadeau
- de liefde
- het huwelijk
- de scheiding
- de vriendschap
- de steun
- de cultuur
- de gemeenschap
- de oom
- de tante
- de buurvrouw
- de kennel
- de hobby
- het spel
- de muziek
- de film
- het park
- de wandeling
- de buurman
- de sport
- de dans
- de ontmoeting
- het vertrouwen
- het respect
School, childcare & education
25 wordsCommon verbs
150 words- doen
- zien
- zijn
- vinden
- zeggen
- maken
- hebben
- horen
- vertellen
- vergeten
- gebeuren
- vermoorden
- komen
- gebruiken
- geven
- ontmoeten
- worden
- gaan
- spreken
- vragen
- trouwen
- begrijpen
- veranderen
- krijgen
- verliezen
- doden
- nemen
- beginnen
- redden
- proberen
- denken
- betalen
- brengen
- missen
- sturen
- zetten
- stelen
- winnen
- vallen
- houden
- halen
- meenemen
- bestaan
- stoppen
- sluiten
- pakken
- begraven
- regelen
- bedanken
- helpen
- sterven
- breken
- praten
- slaan
- weten
- zitten
- verdwijnen
- liegen
- vergeven
- ontvangen
- verraden
- noemen
- bedenken
- vertrekken
- zoeken
- nadenken
- verbergen
- aanvallen
- volgen
- verwachten
- vangen
- ontsnappen
- blijven
- slapen
- lijden
- genezen
- lukken
- schieten
- aandoen
- dragen
- gedragen
- arresteren
- laten
- vernietigen
- verdienen
- oplossen
- vervangen
- bereiken
- beslissen
- ontdekken
- kijken
- bouwen
- rusten
- bekijken
- behandelen
- overtuigen
- wachten
- onderzoeken
- achterlaten
- verslaan
- plannen
- verstoppen
- kennen
- scheiden
- bepalen
- berichten
- waarschuwen
- aannemen
- onthouden
- verpesten
- vechten
- stellen
- gooien
- ontslaan
- neerschieten
- aankomen
- willen
- ontspannen
- storen
- dwingen
- zorgen
- weggaan
- opgeven
- overleven
- plaatsen
- richten
- bezorgen
- bevestigen
- veroorzaken
- beloven
- controleren
- leggen
- beschermen
- voelen
- bewijzen
- steken
- overvallen
- beantwoorden
- rijden
- aanraken
- openen
- ontstaan
- leiden
- bestellen
- vermogen
- betekenen
- bekennen
- verbranden
- wonden
- kwetsen
How to tell de from het
Most Dutch nouns take de, every plural takes de, and every diminutive takes het. Endings help with the rest: words ending in -ing, -heid or -tie usually take de, and words ending in -isme or -ment usually take het. Everything else is learned with the word, which is why each page here gives the article first.
Learn these words for real
Spreek builds your vocabulary from the Dutch you actually meet, keeps the article with every noun, and has you use the words in a spoken conversation.
FreeiPhone