Skip to content

Bezorgen: Dutch verb forms

bezorgen bezorgde bezorgd

to deliver (hand over)

/bəˈzɔrɣə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikbezorgbezorgdeheb bezorgd
jij, ubezorgtbezorgdehebt bezorgd
hij, zij, hetbezorgtbezorgdeheeft bezorgd
wij, jullie, zijbezorgenbezorgdenhebben bezorgd
  • Past participle: bezorgd, with hebben.

Meaning in English

  1. to deliver (hand over)
  2. to provide

Remember bezorgen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)