Opvoeden: Dutch verb conjugation
opvoeden voedde op opgevoed
to raise, to bring up (a child)
Conjugation of opvoeden
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | voed op | voedde op | heb opgevoed |
| jij, u | voedt op | voedde op | hebt opgevoed |
| hij, zij, het | voedt op | voedde op | heeft opgevoed |
| wij, jullie, zij | voeden op | voedden op | hebben opgevoed |
- Past participle: opgevoed, with hebben.
- Opvoeden is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik voed op”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to raise, to bring up (a child)
Remember opvoeden with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone