Skip to content

Luisteren: Dutch verb conjugation

luisteren luisterde geluisterd

to listen

/ˈlœy̯stərə(n)/

Conjugation of luisteren

PersonPresentPastPerfect
ikluisterluisterdeheb geluisterd
jij, uluistertluisterdehebt geluisterd
hij, zij, hetluistertluisterdeheeft geluisterd
wij, jullie, zijluisterenluisterdenhebben geluisterd
  • Past participle: geluisterd, with hebben.

Meaning in English

  1. to listen
  2. to listen, to obey, comply with

Remember luisteren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)