Skip to content

Opgroeien: Dutch verb conjugation

opgroeien groeide op opgegroeid

to grow up, to spend childhood

/ˈɔpˌɣrui̯ə(n)/

Conjugation of opgroeien

PersonPresentPastPerfect
ikgroei opgroeide opheb opgegroeid
jij, ugroeit opgroeide ophebt opgegroeid
hij, zij, hetgroeit opgroeide opheeft opgegroeid
wij, jullie, zijgroeien opgroeiden ophebben opgegroeid

Meaning in English

  1. to grow up, to spend childhood

Remember opgroeien with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)