Skip to content

Afwerken: Dutch verb conjugation

afwerken werkte af afgewerkt

to finish, to complete work on

/ˈɑfʋɛrkə(n)/

Conjugation of afwerken

PersonPresentPastPerfect
ikwerk afwerkte afheb afgewerkt
jij, uwerkt afwerkte afhebt afgewerkt
hij, zij, hetwerkt afwerkte afheeft afgewerkt
wij, jullie, zijwerken afwerkten afhebben afgewerkt

Meaning in English

  1. to finish, to complete work on
  2. to finish work for the day

Remember afwerken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)