Skip to content

Klaarmaken: Dutch verb conjugation

klaarmaken maakte klaar klaargemaakt

to prepare, to make ready

/ˈklaːrˌmaː.kə(n)/

Conjugation of klaarmaken

PersonPresentPastPerfect
ikmaak klaarmaakte klaarheb klaargemaakt
jij, umaakt klaarmaakte klaarhebt klaargemaakt
hij, zij, hetmaakt klaarmaakte klaarheeft klaargemaakt
wij, jullie, zijmaken klaarmaakten klaarhebben klaargemaakt

Meaning in English

  1. to prepare, to make ready
  2. to get prepared

Remember klaarmaken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)