Skip to content

Uithalen: Dutch verb conjugation

uithalen haalde uit uitgehaald

to lash out, strike out

Conjugation of uithalen

PersonPresentPastPerfect
ikhaal uithaalde uitheb uitgehaald
jij, uhaalt uithaalde uithebt uitgehaald
hij, zij, hethaalt uithaalde uitheeft uitgehaald
wij, jullie, zijhalen uithaalden uithebben uitgehaald

Meaning in English

  1. to lash out, strike out
  2. to pull out, draw out
  3. to do (something remarkable)
  4. to speak, to say

Remember uithalen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)