Skip to content

Vrijgeven: Dutch verb conjugation

vrijgeven gaf vrij vrijgegeven

to release, to open

Conjugation of vrijgeven

PersonPresentPastPerfect
ikgeef vrijgaf vrijheb vrijgegeven
jij, ugeeft vrijgaf vrijhebt vrijgegeven
hij, zij, hetgeeft vrijgaf vrijheeft vrijgegeven
wij, jullie, zijgeven vrijgaven vrijhebben vrijgegeven

Meaning in English

  1. to release, to open
  2. to declassify, to make public

Remember vrijgeven with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)