Vrijgeven: Dutch verb conjugation
vrijgeven gaf vrij vrijgegeven
to release, to open
Conjugation of vrijgeven
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | geef vrij | gaf vrij | heb vrijgegeven |
| jij, u | geeft vrij | gaf vrij | hebt vrijgegeven |
| hij, zij, het | geeft vrij | gaf vrij | heeft vrijgegeven |
| wij, jullie, zij | geven vrij | gaven vrij | hebben vrijgegeven |
- Past participle: vrijgegeven, with hebben.
- Vrijgeven is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik geef vrij”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to release, to open
- to declassify, to make public
Remember vrijgeven with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone