Toevertrouwen: Dutch verb conjugation
toevertrouwen vertrouwde toe toevertrouwd
to entrust
/ˈtuvərˌtrɑu̯ə(n)/
Conjugation of toevertrouwen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | vertrouw toe | vertrouwde toe | heb toevertrouwd |
| jij, u | vertrouwt toe | vertrouwde toe | hebt toevertrouwd |
| hij, zij, het | vertrouwt toe | vertrouwde toe | heeft toevertrouwd |
| wij, jullie, zij | vertrouwen toe | vertrouwden toe | hebben toevertrouwd |
- Past participle: toevertrouwd, with hebben.
- Toevertrouwen is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik vertrouw toe”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to entrust
Remember toevertrouwen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone