Skip to content

Behalen: Dutch verb conjugation

behalen behaalde behaald

to gain, to achieve

/bəˈɦaːlə(n)/

Conjugation of behalen

PersonPresentPastPerfect
ikbehaalbehaaldeheb behaald
jij, ubehaaltbehaaldehebt behaald
hij, zij, hetbehaaltbehaaldeheeft behaald
wij, jullie, zijbehalenbehaaldenhebben behaald
  • Past participle: behaald, with hebben.

Meaning in English

  1. to gain, to achieve

Remember behalen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)