Verdelen: Dutch verb conjugation
verdelen verdeelde verdeeld
to divide
/vərˈdeː.lə(n)/
Conjugation of verdelen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | verdeel | verdeelde | heb verdeeld |
| jij, u | verdeelt | verdeelde | hebt verdeeld |
| hij, zij, het | verdeelt | verdeelde | heeft verdeeld |
| wij, jullie, zij | verdelen | verdeelden | hebben verdeeld |
- Past participle: verdeeld, with hebben.
Meaning in English
- to divide
- to distribute
Remember verdelen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone