Skip to content

Verdelen: Dutch verb conjugation

verdelen verdeelde verdeeld

to divide

/vərˈdeː.lə(n)/

Conjugation of verdelen

PersonPresentPastPerfect
ikverdeelverdeeldeheb verdeeld
jij, uverdeeltverdeeldehebt verdeeld
hij, zij, hetverdeeltverdeeldeheeft verdeeld
wij, jullie, zijverdelenverdeeldenhebben verdeeld
  • Past participle: verdeeld, with hebben.

Meaning in English

  1. to divide
  2. to distribute

Remember verdelen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)