Kwijtraken: Dutch verb conjugation
kwijtraken raakte kwijt kwijtgeraakt
to lose, to cause (something) to cease to be in one's possession or
Conjugation of kwijtraken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | raak kwijt | raakte kwijt | heb kwijtgeraakt |
| jij, u | raakt kwijt | raakte kwijt | hebt kwijtgeraakt |
| hij, zij, het | raakt kwijt | raakte kwijt | heeft kwijtgeraakt |
| wij, jullie, zij | raken kwijt | raakten kwijt | hebben kwijtgeraakt |
- Past participle: kwijtgeraakt, with hebben.
- Kwijtraken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik raak kwijt”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to lose, to cause (something) to cease to be in one's possession or capability
Remember kwijtraken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone