Skip to content

Bijten: Dutch verb conjugation

bijten beet gebeten

to bite

/ˈbɛi̯tə(n)/

Conjugation of bijten

PersonPresentPastPerfect
ikbijtbeetheb gebeten
jij, ubijtbeethebt gebeten
hij, zij, hetbijtbeetheeft gebeten
wij, jullie, zijbijtenbetenhebben gebeten
  • Past participle: gebeten, with hebben.

Meaning in English

  1. to bite

Remember bijten with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)