Skip to content

Kleuren: Dutch verb conjugation

kleuren kleurde gekleurd

to color, paint

Conjugation of kleuren

PersonPresentPastPerfect
ikkleurkleurdeheb gekleurd
jij, ukleurtkleurdehebt gekleurd
hij, zij, hetkleurtkleurdeheeft gekleurd
wij, jullie, zijkleurenkleurdenhebben gekleurd
  • Past participle: gekleurd, with hebben.

Meaning in English

  1. to color, paint
  2. to blush, turn red

Remember kleuren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)