Aanraken: Dutch verb forms
aanraken raakte aan aangeraakt
to touch
/ˈaːnraːkə(n)/
Conjugation
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | raak aan | raakte aan | heb aangeraakt |
| jij, u | raakt aan | raakte aan | hebt aangeraakt |
| hij, zij, het | raakt aan | raakte aan | heeft aangeraakt |
| wij, jullie, zij | raken aan | raakten aan | hebben aangeraakt |
- Past participle: aangeraakt, with hebben.
- Aanraken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik raak aan”.
Meaning in English
- to touch
Remember aanraken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone