Skip to content

Kopiëren: Dutch verb conjugation

kopiëren kopieerde gekopieerd

to copy

/ˌkoː.piˈeː.rə(n)/

Conjugation of kopiëren

PersonPresentPastPerfect
ikkopieerkopieerdeheb gekopieerd
jij, ukopieertkopieerdehebt gekopieerd
hij, zij, hetkopieertkopieerdeheeft gekopieerd
wij, jullie, zijkopiërenkopieerdenhebben gekopieerd
  • Past participle: gekopieerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to copy

Remember kopiëren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)