Skip to content

Kapotmaken: Dutch verb conjugation

kapotmaken maakte kapot kapotgemaakt

to break

/kaːˈpɔtˌmaːkə(n)/

Conjugation of kapotmaken

PersonPresentPastPerfect
ikmaak kapotmaakte kapotheb kapotgemaakt
jij, umaakt kapotmaakte kapothebt kapotgemaakt
hij, zij, hetmaakt kapotmaakte kapotheeft kapotgemaakt
wij, jullie, zijmaken kapotmaakten kapothebben kapotgemaakt

Meaning in English

  1. to break

Remember kapotmaken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)