Skip to content

Produceren: Dutch verb conjugation

produceren produceerde geproduceerd

to produce (bring forth)

/proː.dyˈseː.rə(n)/

Conjugation of produceren

PersonPresentPastPerfect
ikproduceerproduceerdeheb geproduceerd
jij, uproduceertproduceerdehebt geproduceerd
hij, zij, hetproduceertproduceerdeheeft geproduceerd
wij, jullie, zijproducerenproduceerdenhebben geproduceerd
  • Past participle: geproduceerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to produce (bring forth)
  2. to produce (music or film)

Remember produceren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)