Skip to content

Uitwerken: Dutch verb conjugation

uitwerken werkte uit uitgewerkt

to effect, put in place

Conjugation of uitwerken

PersonPresentPastPerfect
ikwerk uitwerkte uitheb uitgewerkt
jij, uwerkt uitwerkte uithebt uitgewerkt
hij, zij, hetwerkt uitwerkte uitheeft uitgewerkt
wij, jullie, zijwerken uitwerkten uithebben uitgewerkt

Meaning in English

  1. to effect, put in place
  2. to elaborate, expand

Remember uitwerken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)