Skip to content

Aansluiten: Dutch verb conjugation

aansluiten sloot aan aangesloten

to connect

/ˈaːnslœy̯tə(n)/

Conjugation of aansluiten

PersonPresentPastPerfect
iksluit aansloot aanheb aangesloten
jij, usluit aansloot aanhebt aangesloten
hij, zij, hetsluit aansloot aanheeft aangesloten
wij, jullie, zijsluiten aansloten aanhebben aangesloten

Meaning in English

  1. to connect
  2. to install
  3. to fit, to join up, to connect, to interface
  4. to join (a group)
  5. to fit or join seamlessly

Remember aansluiten with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)