Skip to content

Grijpen: Dutch verb conjugation

grijpen greep gegrepen

to grab

/ˈɣrɛi̯pə(n)/

Conjugation of grijpen

PersonPresentPastPerfect
ikgrijpgreepheb gegrepen
jij, ugrijptgreephebt gegrepen
hij, zij, hetgrijptgreepheeft gegrepen
wij, jullie, zijgrijpengrepenhebben gegrepen
  • Past participle: gegrepen, with hebben.

Meaning in English

  1. to grab

Remember grijpen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)