Skip to content

Opvangen: Dutch verb conjugation

opvangen ving op opgevangen

to catch

Conjugation of opvangen

PersonPresentPastPerfect
ikvang opving opheb opgevangen
jij, uvangt opving ophebt opgevangen
hij, zij, hetvangt opving opheeft opgevangen
wij, jullie, zijvangen opvingen ophebben opgevangen

Meaning in English

  1. to catch

Remember opvangen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)