Aansteken: Dutch verb conjugation
aansteken stak aan aangestoken
to light, kindle
/ˈaːnsteːkə(n)/
Conjugation of aansteken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | steek aan | stak aan | heb aangestoken |
| jij, u | steekt aan | stak aan | hebt aangestoken |
| hij, zij, het | steekt aan | stak aan | heeft aangestoken |
| wij, jullie, zij | steken aan | staken aan | hebben aangestoken |
- Past participle: aangestoken, with hebben.
- Aansteken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik steek aan”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to light, kindle
- to infect, taint
Remember aansteken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone