Skip to content

Maken: Dutch verb forms

maken maakte gemaakt

to make, create, prepare

/ˈmaːkə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
ikmaakmaakteheb gemaakt
jij, umaaktmaaktehebt gemaakt
hij, zij, hetmaaktmaakteheeft gemaakt
wij, jullie, zijmakenmaaktenhebben gemaakt
  • Past participle: gemaakt, with hebben.

Meaning in English

  1. to make, create, prepare
  2. to fix, to repair, to mend
  3. to make, cause to become
  4. Translated with to do with.

Remember maken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)