Skip to content

Opbouwen: Dutch verb conjugation

opbouwen bouwde op opgebouwd

to build, to build up

/ˈɔpˌbɑu̯.ə(n)/

Conjugation of opbouwen

PersonPresentPastPerfect
ikbouw opbouwde opheb opgebouwd
jij, ubouwt opbouwde ophebt opgebouwd
hij, zij, hetbouwt opbouwde opheeft opgebouwd
wij, jullie, zijbouwen opbouwden ophebben opgebouwd

Meaning in English

  1. to build, to build up
  2. to increase, to phase in

Remember opbouwen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)