Investeren: Dutch verb conjugation
investeren investeerde geïnvesteerd
to invest
/ɪn.vɛsˈteː.rə(n)/
Conjugation of investeren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | investeer | investeerde | heb geïnvesteerd |
| jij, u | investeert | investeerde | hebt geïnvesteerd |
| hij, zij, het | investeert | investeerde | heeft geïnvesteerd |
| wij, jullie, zij | investeren | investeerden | hebben geïnvesteerd |
- Past participle: geïnvesteerd, with hebben.
Meaning in English
- to invest
Remember investeren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone