Skip to content

Blokkeren: Dutch verb conjugation

blokkeren blokkeerde geblokkeerd

to block

/blɔˈkeːrə(n)/

Conjugation of blokkeren

PersonPresentPastPerfect
ikblokkeerblokkeerdeheb geblokkeerd
jij, ublokkeertblokkeerdehebt geblokkeerd
hij, zij, hetblokkeertblokkeerdeheeft geblokkeerd
wij, jullie, zijblokkerenblokkeerdenhebben geblokkeerd
  • Past participle: geblokkeerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to block
  2. to close off (a road)
  3. to blockade

Remember blokkeren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)