Skip to content

Terugkeren: Dutch verb conjugation

terugkeren keerde terug teruggekeerd

to return

/təˈrʏxˌkeː.rə(n)/

Conjugation of terugkeren

PersonPresentPastPerfect
ikkeer terugkeerde terugben teruggekeerd
jij, ukeert terugkeerde terugbent teruggekeerd
hij, zij, hetkeert terugkeerde terugis teruggekeerd
wij, jullie, zijkeren terugkeerden terugzijn teruggekeerd

Meaning in English

  1. to return
  2. to recur

Remember terugkeren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)