Skip to content

Bezoeken: Dutch verb conjugation

bezoeken bezocht bezocht

to visit

/bəˈzukə(n)/

Conjugation of bezoeken

PersonPresentPastPerfect
ikbezoekbezochtheb bezocht
jij, ubezoektbezochthebt bezocht
hij, zij, hetbezoektbezochtheeft bezocht
wij, jullie, zijbezoekenbezochtenhebben bezocht
  • Past participle: bezocht, with hebben.

Meaning in English

  1. to visit

Remember bezoeken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)