Skip to content

Trouwen: Dutch verb forms

trouwen trouwde getrouwd

to marry

/ˈtrɑu̯.ə(n)/

Conjugation

PersonPresentPastPerfect
iktrouwtrouwdeheb getrouwd
jij, utrouwttrouwdehebt getrouwd
hij, zij, hettrouwttrouwdeheeft getrouwd
wij, jullie, zijtrouwentrouwdenhebben getrouwd
  • Past participle: getrouwd, with hebben or zijn, depending on the meaning.

Meaning in English

  1. to marry

Remember trouwen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)