Accepteren: Dutch verb conjugation
accepteren accepteerde geaccepteerd
to accept
/ɑk.sɛpˈteːrə(n)/
Conjugation of accepteren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | accepteer | accepteerde | heb geaccepteerd |
| jij, u | accepteert | accepteerde | hebt geaccepteerd |
| hij, zij, het | accepteert | accepteerde | heeft geaccepteerd |
| wij, jullie, zij | accepteren | accepteerden | hebben geaccepteerd |
- Past participle: geaccepteerd, with hebben.
Meaning in English
- to accept
Remember accepteren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone