Injecteren: Dutch verb conjugation
injecteren injecteerde geïnjecteerd
inject (to push or pump something in)
Conjugation of injecteren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | injecteer | injecteerde | heb geïnjecteerd |
| jij, u | injecteert | injecteerde | hebt geïnjecteerd |
| hij, zij, het | injecteert | injecteerde | heeft geïnjecteerd |
| wij, jullie, zij | injecteren | injecteerden | hebben geïnjecteerd |
- Past participle: geïnjecteerd, with hebben.
Meaning in English
- inject (to push or pump something in)
Remember injecteren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone