Skip to content

Tolereren: Dutch verb conjugation

tolereren tolereerde getolereerd

to tolerate

/toː.ləˈreː.rə(n)/

Conjugation of tolereren

PersonPresentPastPerfect
iktolereertolereerdeheb getolereerd
jij, utolereerttolereerdehebt getolereerd
hij, zij, hettolereerttolereerdeheeft getolereerd
wij, jullie, zijtolererentolereerdenhebben getolereerd
  • Past participle: getolereerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to tolerate

Remember tolereren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)