Skip to content

Uitdagen: Dutch verb conjugation

uitdagen daagde uit uitgedaagd

to challenge

/ˈœy̯tˌdaːɣə(n)/

Conjugation of uitdagen

PersonPresentPastPerfect
ikdaag uitdaagde uitheb uitgedaagd
jij, udaagt uitdaagde uithebt uitgedaagd
hij, zij, hetdaagt uitdaagde uitheeft uitgedaagd
wij, jullie, zijdagen uitdaagden uithebben uitgedaagd

Meaning in English

  1. to challenge

Remember uitdagen with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)