Meewerken: Dutch verb conjugation
meewerken werkte mee meegewerkt
to cooperate
/ˈmeːˌʋɛr.kə(n)/
Conjugation of meewerken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | werk mee | werkte mee | heb meegewerkt |
| jij, u | werkt mee | werkte mee | hebt meegewerkt |
| hij, zij, het | werkt mee | werkte mee | heeft meegewerkt |
| wij, jullie, zij | werken mee | werkten mee | hebben meegewerkt |
- Past participle: meegewerkt, with hebben.
- Meewerken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik werk mee”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to cooperate
Remember meewerken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone