Skip to content

Serveren: Dutch verb conjugation

serveren serveerde geserveerd

to serve

Conjugation of serveren

PersonPresentPastPerfect
ikserveerserveerdeheb geserveerd
jij, userveertserveerdehebt geserveerd
hij, zij, hetserveertserveerdeheeft geserveerd
wij, jullie, zijserverenserveerdenhebben geserveerd
  • Past participle: geserveerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to serve

Remember serveren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)