Verteren: Dutch verb conjugation
verteren verteerde verteerd
to digest
/vərˈteː.rə(n)/
Conjugation of verteren
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | verteer | verteerde | heb verteerd |
| jij, u | verteert | verteerde | hebt verteerd |
| hij, zij, het | verteert | verteerde | heeft verteerd |
| wij, jullie, zij | verteren | verteerden | hebben verteerd |
- Past participle: verteerd, with hebben.
Meaning in English
- to digest
- to spend, consume
Remember verteren with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone