Skip to content

Verteren: Dutch verb conjugation

verteren verteerde verteerd

to digest

/vərˈteː.rə(n)/

Conjugation of verteren

PersonPresentPastPerfect
ikverteerverteerdeheb verteerd
jij, uverteertverteerdehebt verteerd
hij, zij, hetverteertverteerdeheeft verteerd
wij, jullie, zijverterenverteerdenhebben verteerd
  • Past participle: verteerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to digest
  2. to spend, consume

Remember verteren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)