Skip to content

Verzenden: Dutch verb conjugation

verzenden verzond verzonden

to send, to ship

/vərˈzɛndə(n)/

Conjugation of verzenden

PersonPresentPastPerfect
ikverzendverzondheb verzonden
jij, uverzendtverzondhebt verzonden
hij, zij, hetverzendtverzondheeft verzonden
wij, jullie, zijverzendenverzondenhebben verzonden
  • Past participle: verzonden, with hebben.

Meaning in English

  1. to send, to ship

Remember verzenden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)