Skip to content

Vastmaken: Dutch verb conjugation

vastmaken maakte vast vastgemaakt

to attach, fasten

/ˈvɑstˌmaː.kə(n)/

Conjugation of vastmaken

PersonPresentPastPerfect
ikmaak vastmaakte vastheb vastgemaakt
jij, umaakt vastmaakte vasthebt vastgemaakt
hij, zij, hetmaakt vastmaakte vastheeft vastgemaakt
wij, jullie, zijmaken vastmaakten vasthebben vastgemaakt

Meaning in English

  1. to attach, fasten

Remember vastmaken with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)