Vastmaken: Dutch verb conjugation
vastmaken maakte vast vastgemaakt
to attach, fasten
/ˈvɑstˌmaː.kə(n)/
Conjugation of vastmaken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | maak vast | maakte vast | heb vastgemaakt |
| jij, u | maakt vast | maakte vast | hebt vastgemaakt |
| hij, zij, het | maakt vast | maakte vast | heeft vastgemaakt |
| wij, jullie, zij | maken vast | maakten vast | hebben vastgemaakt |
- Past participle: vastgemaakt, with hebben.
- Vastmaken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik maak vast”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to attach, fasten
Remember vastmaken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone