Skip to content

Doordraaien: Dutch verb conjugation

doordraaien draaide door doorgedraaid

to keep turning, keep running

/ˈdoːrˌdraːi̯ə(n)/

Conjugation of doordraaien

PersonPresentPastPerfect
ikdraai doordraaide doorheb doorgedraaid
jij, udraait doordraaide doorhebt doorgedraaid
hij, zij, hetdraait doordraaide doorheeft doorgedraaid
wij, jullie, zijdraaien doordraaiden doorhebben doorgedraaid

Meaning in English

  1. to keep turning, keep running
  2. of perishable products available at an auction, to be destroyed or used for other purposes when left unsold
  3. to freak out, lose one's mind, go crazy

Remember doordraaien with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)