Openmaken: Dutch verb conjugation
openmaken maakte open opengemaakt
to open
/ˈoː.pə(n)ˌmaː.kə(n)/
Conjugation of openmaken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | maak open | maakte open | heb opengemaakt |
| jij, u | maakt open | maakte open | hebt opengemaakt |
| hij, zij, het | maakt open | maakte open | heeft opengemaakt |
| wij, jullie, zij | maken open | maakten open | hebben opengemaakt |
- Past participle: opengemaakt, with hebben.
- Openmaken is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik maak open”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to open
Remember openmaken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone