Skip to content

Markeren: Dutch verb conjugation

markeren markeerde gemarkeerd

to mark

Conjugation of markeren

PersonPresentPastPerfect
ikmarkeermarkeerdeheb gemarkeerd
jij, umarkeertmarkeerdehebt gemarkeerd
hij, zij, hetmarkeertmarkeerdeheeft gemarkeerd
wij, jullie, zijmarkerenmarkeerdenhebben gemarkeerd
  • Past participle: gemarkeerd, with hebben.

Meaning in English

  1. to mark

Remember markeren with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)