Skip to content

Vrijlaten: Dutch verb conjugation

vrijlaten liet vrij vrijgelaten

to release

/ˈvrɛi̯ˌlaː.tə(n)/

Conjugation of vrijlaten

PersonPresentPastPerfect
iklaat vrijliet vrijheb vrijgelaten
jij, ulaat vrijliet vrijhebt vrijgelaten
hij, zij, hetlaat vrijliet vrijheeft vrijgelaten
wij, jullie, zijlaten vrijlieten vrijhebben vrijgelaten

Meaning in English

  1. to release

Remember vrijlaten with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)