Skip to content

Aanhouden: Dutch verb conjugation

aanhouden hield aan aangehouden

to arrest

/ˈaːnɦɑu̯də(n)/

Conjugation of aanhouden

PersonPresentPastPerfect
ikhou aanhield aanheb aangehouden
jij, uhoudt aanhield aanhebt aangehouden
hij, zij, hethoudt aanhield aanheeft aangehouden
wij, jullie, zijhouden aanhielden aanhebben aangehouden

Meaning in English

  1. to arrest
  2. to hail (a cab); to stop (someone in order to ask a question)
  3. to keep up, keep on, maintain
  4. to be ongoing, to persist
  5. to keep on, to continue wearing (clothing)
  6. to maintain in employment, to keep hired

Remember aanhouden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)