Skip to content

Uitkleden: Dutch verb conjugation

uitkleden kleedde uit uitgekleed

to undress, divest

Conjugation of uitkleden

PersonPresentPastPerfect
ikkleed uitkleedde uitheb uitgekleed
jij, ukleedt uitkleedde uithebt uitgekleed
hij, zij, hetkleedt uitkleedde uitheeft uitgekleed
wij, jullie, zijkleden uitkleedden uithebben uitgekleed

Meaning in English

  1. to undress, divest
  2. to undress oneself; to strip

Remember uitkleden with Spreek

Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.

See what Spreek does

FreeiPhoneDownload on the App Store (opens in a new tab)