Uitkleden: Dutch verb conjugation
uitkleden kleedde uit uitgekleed
to undress, divest
Conjugation of uitkleden
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | kleed uit | kleedde uit | heb uitgekleed |
| jij, u | kleedt uit | kleedde uit | hebt uitgekleed |
| hij, zij, het | kleedt uit | kleedde uit | heeft uitgekleed |
| wij, jullie, zij | kleden uit | kleedden uit | hebben uitgekleed |
- Past participle: uitgekleed, with hebben.
- Uitkleden is separable: in a main clause the prefix moves to the end, as in “ik kleed uit”. See where the prefix goes in other sentences.
Meaning in English
- to undress, divest
- to undress oneself; to strip
Remember uitkleden with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone