Ontbijten: Dutch verb conjugation
ontbijten ontbeet ontbeten
to breakfast, have breakfast
/ˌɔntˈbɛi̯.tə(n)/
Conjugation of ontbijten
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | ontbijt | ontbeet | heb ontbeten |
| jij, u | ontbijt | ontbeet | hebt ontbeten |
| hij, zij, het | ontbijt | ontbeet | heeft ontbeten |
| wij, jullie, zij | ontbijten | ontbeten | hebben ontbeten |
- Past participle: ontbeten, with hebben.
Meaning in English
- to breakfast, have breakfast
Remember ontbijten with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone