Garanderen: Dutch verb conjugation
garanderen garandeerde gegarandeerd
to guarantee
/ɣaːrɑnˈdeːrə(n)/
Conjugation of garanderen
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | garandeer | garandeerde | heb gegarandeerd |
| jij, u | garandeert | garandeerde | hebt gegarandeerd |
| hij, zij, het | garandeert | garandeerde | heeft gegarandeerd |
| wij, jullie, zij | garanderen | garandeerden | hebben gegarandeerd |
- Past participle: gegarandeerd, with hebben.
Meaning in English
- to guarantee
Remember garanderen with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone