Onderbreken: Dutch verb conjugation
onderbreken onderbrak onderbroken
to interrupt, disrupt, butt in
/ˌɔn.dərˈbreː.kə(n)/
Conjugation of onderbreken
| Person | Present | Past | Perfect |
|---|---|---|---|
| ik | onderbreek | onderbrak | heb onderbroken |
| jij, u | onderbreekt | onderbrak | hebt onderbroken |
| hij, zij, het | onderbreekt | onderbrak | heeft onderbroken |
| wij, jullie, zij | onderbreken | onderbraken | hebben onderbroken |
- Past participle: onderbroken, with hebben.
Meaning in English
- to interrupt, disrupt, butt in
Remember onderbreken with Spreek
Spreek keeps the Dutch words you meet, article included, reviews them with you and then has you use them in a spoken conversation.
FreeiPhone